De belevenissen van onze ouders, Henricus (Hen) Wilhelmus van Schaik en Isabella (Bel) de Vries, met hun uitbreidend gezin in de Tweede wereldoorlog.

Door: Ton (A.M.) van Schaik

 

 

 

 

 

Nederland was bezet. Het aanvankelijke plan van Hitler, om Engeland er maar meteen achteraan te veroveren, moest Duitsland laten varen na de mislukte “Battle of Britain”. Inmiddels was het megalomane duizendjarige rijk op zoveel plaatsen oorlog aan het voeren, dat besloten werd tot aanleg van de “Atlantikwall”. Dit moest een verdedigingslinie met bunkers, kazematten, tankgrachten en -vallen en schuttersputten worden aan de westkust van Noorwegen via Denemarken, Duitsland, Nederland, België en Frankrijk tot aan de grens met Spanje. De Duitsers waren, terecht, bang voor een aanval van de geallieerden vanuit het westen. Een groot gedeelte van die werken is uitgevoerd en de bunkers en tankgrachten in Driehuis zijn nog steeds getuigen van de Atlantikwall.

In voorjaar 1942 werd, het zal voor de bewaking van de Atlantikwall nodig zijn geweest, aan mijn vader Henricus van Schaik (Hen) “in verband met een aanwijzing van de Duitsche Sicherheitspolizei” bewakingsdienst opgedragen. De commissaris van politie P. IJtsma liet hem dit namens de burgemeester weten. De Nederlandse autoriteiten dansten al aardig naar de pijpen van de bezetter. Hen had al contacten in het verzet, onder anderen met Wim Thomassen in Zaandam. In een felicitatie voor de geboorte van mij werd bedekt gevraagd of Hen weet en kan melden, of, waar en met hoeveel mensen er bij de Hoogovens in IJmuiden nog wordt gewerkt. De geallieerden wilden waarschijnlijk de staalproductie hinderen en bombarderen.

Maar aan de bewaking van de Atlantikwall zou Hen moeten hebben deelgenomen, vanwege de ernstige consequenties die in het vooruitzicht werden gesteld! In dit soort zaken werd geen keus gelaten.

 

Op die bewuste data landden er nog geen geallieerde troepen op het strand van IJmuiden!

De druk van de geallieerden op de Duitsers werd kennelijk te groot. Aan het oostfront zijn ze in Rusland in de sneeuw aan het vastlopen en bevriezen en in het zuiden in het woestijnzand aan het koken. IJmuiden en Driehuis werden in verband met dreigende landingen van de geallieerden geëvacueerd.


Het gezin van Schaik-de Vries, samen met kindermeisje Lies, moest naar Tilburg verhuizen. Ze namen hun intrek op 28 maart 1944 in de voor dat doel van de weduwe Verbunt gevorderde villa De Oude Warande aan de Bredaseweg 439.

Vanaf deze periode beginnen de eerste, alhoewel vage herinneringen, van de schrijver dezes.

 

Hen probeerde in het zuiden aan de kost te komen door met de fiets boerderijen af te gaan en textiel te ruilen. Door de oorlog was de productie van dekens en lappen grotendeels stil komen te liggen, maar hij zag kans om hier en daar, ook met medewerking van de fabriek van Diddens en van Asten in Helmond, nog wat voorraden op te scharrelen. Een gewild product was het “Brabants Bont”. Bel heeft inmiddels al drie kinderen, en de vierde is onderweg.

De Oude Warande was een grote villa in het gelijknamige Sterrenbos in eigendom van de familie Verbunt, wijnkopers in Tilburg. Het huis stond midden in een bosachtig park, met naar alle windstreken uitwaaierende lanen. De sterrenbossen, oorspronkelijk ontworpen door de franse tuinarchitect Le Nôtre, zullen ten voorbeeld hebben gediend.

Tegenwoordig is al veel van het landgoed opgeslokt door woningbouw en ook de Universiteit van Tilburg heeft er veel gebouwen neergezet. Naast de villa stond een boerderijtje, boswachtershuisje van Nelis en Cato. Dat huis staat er nog, maar de villa De Oude Warande is afgebroken.


De Oude Warande

Zie een aantal foto's van De Oude Warande gemaakt in de zomer van 1943.


Bij zijn rondgangen over het Brabantse land, kwam Hen bij de boeren nog al eens jonge mannen tegen die om uiteenlopende redenen moesten onderduiken. Meestal wilden ze de zogenaamde loyaliteitsverklaring niet ondertekenen, of de “arbeitseinsatz” ontlopen. Maar ook joodse jongens hadden zich verstopt. Voor veel van die studenten was het leven op het platteland geen genoegen. Het sanitair en comfort waren op de boerderijen niet zoals velen dat thuis gewend waren. Hen nodigde jongens die het wel erg moeilijk hadden, uit om bij hem op De Oude Warande onder te duiken. Een van die ondergedoken jongens was Herman (bijnaam Boelie) Kahmann, een in Amsterdam studerende medicijnenstudent, die later gynaecoloog in Arnhem is geworden. Op het hoogtepunt waren er wel zeven onderduikers aanwezig. Er werden, waarschijnlijk vanwege het gevaar dat dit met zich mee kon brengen, geen namen bijgehouden.

Naast de villa stond een boerderijtje, boswachterhuisje van Nelis en Cato. Nelis had een bonte Shetland pony, door mij in het potjeslatijn 'Sletjander' genoemd.

 

Onder het toeziend oog van de drie kleintjes van Schaik, Mia, Hennie en Ton geeft een zoon van Nelis en Cato aan kindermeisje Lies en aan mijn vader Hen ponyrijles. Achter Lies is het gezicht van onderduiker Boelie Kahmann zichtbaar. Mijn moeder kijkt vanaf het terras.

Zie de foto's van Sletjander Nelis.
 

In het park lag een blokhut, verscholen tussen de struiken, dat onderdeel uitmaakte van het door Hen opgezette waarschuwingssysteem. Hoofdzakelijk werd aan het begin van de oprijlaan aan de Bredaseweg wacht gehouden. Als er dan gevaar dreigde werd de villa gewaarschuwd en vluchtten de onderduikers naar de blokhut en ze bleven daar verborgen tot het gevaar weer geweken was.

Precies aan de overkant van het begin van de oprijlaan, gingen mijn peetoom en –tante, Herman en Cis de Vries, na de oorlog wonen. Toen ik in verband met ons huwelijk, mijn bruid Marianne aan hen ging voorstellen, hebben we een uitgebreide wandeling over het terrein gemaakt. De blokhut hebben we toen (1965) nog kunnen vinden. Bij een later bezoek in 2005 kon ik hem niet meer terug vinden.

Ik herinner me nog goed de spanningen van toen, wanneer er alarm was. Aan het eind van de oprijlaan, op de Bredaseweg, werd een paard aangereden door een Duitse legerwagen. Het vlees was schaars en de Duitsers gingen een slager halen om het dier te slachten. Hen had veel monden en mondjes te vullen en als slagerszoon heeft hij in de gauwigheid kans gezien er een been af te snijden en dat te verdonkeremanen. Toen de Duitsers terugkwamen had het paard nog slechts drie benen. De onderduikers moesten zich wel snel in het bos verstoppen, want er volgde natuurlijk uitgebreid huiszoeking.

 

Toen Hen een keer met Boelie op oorlogspad was, zag hij in een auto van de bezetter een verrekijker hangen en die hebben ze toen maar gestolen. Als Hen die groene legerkijker na de oorlog in zijn handen nam, wees hij er nog altijd trots en met twinkelende ogen op dat het oorlogsbuit was.

Toch waren dit soort acties, evenals het huisvesten en verbergen van onderduikers, gevaarlijk. Indien Hen betrapt zouden zijn, was dat ongetwijfeld slecht afgelopen. Het getuigt van moed, maar ook wel van een zekere onbezonnenheid om dat soort dingen te doen met een gezin met drie kinderen.


Het front van de geallieerden naderde en op last van de bezetter, die het huis vorderde, moest het gezin vanuit de De Oude Warande verhuizen naar Dongewijk, Bredaseweg 600. Dat is nog een stukje dichter naar het westen. Dus uiteindelijk dichter naar de bevrijding, maar ook naar het front. Dongewijk bestaat nog steeds. Het is een zomerhuis, gebouwd op een oude kruikenzeikersput. Voor de bewerking van wol, die door de schapen op de heide werd geproduceerd, had men menselijke urine nodig. De werknemers in de wolverwerkende bedrijven waren verplicht om de urine van hun gezinnen te verzamelen in kruiken en dat op gezette tijden in te leveren. Nog steeds is de scheldnaam voor de Tilburgers “kruikenzeikers” en de carnavalsvereniging gebruikt die naam als geuzennaam. Op het moment van dit schrijven, staat het hele landgoed te koop. Op een makelaarssite zag ik de foto van het bijgebouw. Ik herkende het gebouwtje meteen. De trap naar de centrale deur boven, met daar onder, niet te zien, de trap naar de kelder in de put.


Dongewijk


In dit huis
werd op 16 augustus 1944 mijn broertje Hans geboren, het vierde kind van Hen en Bel.  Vanwege de oorlogshandelingen waren de omstandigheden primitief. Water moest uit het riviertje de Donge worden getapt en er was geen elektrisch licht. Verlichting kwam van petroleumlampen. Af en toe waren we getuige van luchtgevechten tussen de Duitse Messerschmitts, Heinkels en Junckers met de geallieerde vliegtuigen. Het militair vliegveld Gilze-Rijen lag vlakbij. Ik kan me nog altijd dat angstaanjagende, jankende geluid van de vliegtuigen met het gerikketik van het boordgeschut herinneren. Hans werd regelmatig in de kinderwagen lekker in het zonnetje buiten gezet. De invloed van de zon op de aanmaak van vitamine D en het voorkómen van Engelse ziekte (rachitis) was nog maar juist bekend.


De drie kinderen waren op het gras bij de kinderwagen aan het spelen toen er boven Dongewijk een luchtgevecht ontstond. Ik herinner me dat mijn oudste zusje, Mia, mijn andere zusje en mij snel naar binnen bracht, daarna onder het hevige luchtgevecht de wagen met Hans met grote snelheid naar de trap van het huis duwde, mama Hans uit de wagen sleurde en Mia over de trap naar binnen trok.


Wanneer het er niet zo heftig aan toe ging, was Dongewijk een idyllisch plekje. Met een kindermeisje gingen wij naar het riviertje de Donge om met rivierzand en water het babyflesje van Hans te schudden en te spoelen, waarna het in huis kon worden uitgekookt om weer te worden gebruikt.
In die tijd zat Boelie Kahmann met, naar ik meen, nog een paar anderen nog steeds bij ons ondergedoken,


Het front naderde en er vluchtten Duitse soldaten door de tuin. Ze werden door Hen en Boelie ingerekend en in de kelder opgesloten. Daarna gingen Hen en Boelie de geallieerde strijdkrachten tegemoet om dat te melden. Ze werden aangezien voor de vijand en de mitrailleurs werden op hen gericht. Hen en Boelie zagen kans hun goede bedoelingen duidelijk te maken en gelukkig werd er niet op hen geschoten.


Toen het front voorbij Dongewijk getrokken was en de Canadezen de krijgsgevangenen kwamen ophalen, ontdekte Bel dat de Duitse soldaten twee weckpotten met eten hadden leeg gegeten. Gezien de dagelijkse strijd om het bestaan van het jonge gezin was dat een behoorlijke diefstal. Wat was mijn jonge moeder kwaad. Maar Hen begreep dat het eigenlijk ook maar arme drommels waren, die wel erge honger gehad moeten hebben.


De stad Tilburg werd op 27 oktober 1944 bevrijd. Een eindeloze stoet tanks, vrachtauto’s en jeeps trok over de Bredaseweg oostwaarts, op weg naar het opgeschoven front in de Peel aan de Maas. Ik herinner het mij nog. Het gezin van Schaik-de Vries “woonde” toen nog in het totaal open geschoten Dongewijk. Maar Hen regelde met zijn talent snel andere huisvesting. 
Een huis aan de Burg.van Meursstraat wordt betrokken, wegens het onbewoonbaar zijn van de kruikenzeikersput Dongewijk.


Er is een brief over die laatste dagen onder het voorbijtrekkende front en het regelmatig verkassen onder het oorlogsgeweld van Bel aan haar familie in Amsterdam. Om weer te geven hoe die ontberingen voor het nog jonge gezin waren, geef ik het ooggetuigenverslag van Bel, enigszins verkort, weer. De brief is geschreven op 2 mei 1945, toen Amsterdam zojuist bevrijd was en er kennelijk weer enige communicatie mogelijk was.


We zijn zoals jullie weten, de “Oude Warande” op 1 augustus(44) uitgezet. 15 Augustus was er een zwaar bombardement op Gilze-Rijen en ’s nachts werd Hansje geboren. Wij hebben toen nog een leuk pakje van jullie ontvangen, daarvoor dank. Maar we konden niet meer terugschrijven. Daarna hebben we op 29 augustus een nog zwaarder bombardement gehad. We zaten met zijn allen in de kelder en roken de brandlucht. De bommen vielen op ongeveer 500 meter afstand. De kerk en de huizen, die aan de Bredaseweg stonden, zijn toen allemaal vernield. Ons huis stond nog, maar er waren veel ruiten uit. Er was een heel grote serre, die wij als woonkamer gebruikten. Daar zaten niet veel ruiten meer in en we hebben toen in die ene grote kamer, die was ingericht als woon- en slaapkamer, de ramen die kapot waren met zeil dichtgespijkerd. Toen hebben de Engelsen zes weken bij Alphen en Riel gelegen. Dat was vlak achter ons. Uiteindelijk zijn we de kelder ingekropen. Daar was een stookgelegenheid en toen hebben we daar gewoond en geslapen. Intussen hebben de moffen het vliegveld opgeblazen en alles wat er toen nog aan het huis heel was, was daarna ontzet en alle ruiten waren zo goed als kapot. We hebben ondanks alles nog gelachen. Op een gegeven moment kwam er een slag en hoorden we de ramen weer rinkelen. Hennie zei: “Hoor je het Mia, hartstikke kapot is ie”.

Toen begon het roven en stelen van de moffen. We woonden daar zo'n beetje in niemandsland. De boeren rondom ons waren vertrokken. Er stonden bij ons een paard, varkens en een kalf in de stal. We hebben ze allen gered, hoewel het soms wel erg moeilijk was. De moffen kwamen gewoon binnen en stalen de peren van de schaal en de verrekijker uit de gang, enz. We hadden alles in de kelder opgeborgen en op een gegeven moment hoorden we vier moffen, die vanuit een raam naar de kelder waren gekomen, die daar de beschuit, koekjes, lucifers, jam, appelstroop enz. vandaan haalden. Het was verschrikkelijk. Onze fietsen hebben ze ook meegenomen. De wielen van de auto hadden we net bijtijds in de grond gestopt. Wijn en drank hadden we ook al in de grond, maar daar hadden ze ook al genoeg van meegenomen. Daarna zijn we met zijn allen in de kelder gegaan en nadat we daar veertien dagen hadden gezeten, zijn we bevrijd. De brug over de Donge zou opgeblazen worden, maar dat heeft Hen samen met Boelie verhinderd. Ze hebben acht moffen krijgsgevangen gemaakt. Dat verhaal horen jullie nog wel eens. Ze hebben de moffen netjes aan de Polen overgeleverd. Wij hebben de volgende dag een massa Engelsen ingekwartierd gekregen. Een majoor, drie officieren en heel wat soldaten. Toen die weg waren, zijn we weer naar boven verhuisd. Maar het was bitter koud en je kon tegen de wind in leunen. Hen kon direct weer met zijn auto rijden. Hij was toen bij de Politieke Politie en heeft direct voor een huis gezorgd. We kregen een huis toegewezen in het witte villadorp, vlak bij de kerk. Er hadden Duitsers in gezeten. Je kent die huizen wel. Het was een pracht huis met centrale verwarming, die we toch niet konden stoken. Maar het was een moordhuis met flinke kasten overal. Daar hebben we tweeëneenhalve maand gewoond en toen kregen we een V-1 aan de overkant. Als je dát gezien had, wat een ravage zo een ding aanricht. Er waren achtentwintig doden en heel veel gewonden. De mensen vlogen bloedend de huizen uit en het was een paniek. Doden onder de puinhopen. In ons huis stond niets meer op zijn plaats. De voordeur stond door de tochtdeur heen, gedraaid in de gang. De keukendeur was een acht geworden. De plafonds en de muren lagen er uit en je kon zo van de ene kamer in de andere stappen. Glas zat er niet meer in en alles was versplinterd. Lampen, potjes, beeldjes, meubelen, alles was kapot. Al ons kristal was kapot. Van de serviezen was haast helemaal niets meer over. Boven op de slaapkamer was een stoel totaal vernietigd. De linnenkast is voorover gevallen op de wieg van Hans, de spiegel van de kast was voor een groot gedeelte aan scherven en was op Hans terechtgekomen. Hij lag als het ware onder het glas bedolven onder het door de luchtdruk over hem heen gewaaide lakentje. Rondom hem heen lagen grote stukken plafond en muren. Als door een wonder had hij niets. Ton had flinke scherfwonden aan zijn hoofd en die zijn direct gekramd. Hennie had een stuk van de muis van haar hand af, dat is al weer genezen. Mia een klein schrammetje. Jo, het dienstmeisje, had flinke glaswonden aan haar armen en die zijn ook gekramd. Ik zelf had een stuk nagel er af en een paar wondjes aan mijn hand. Boelie lag pal onder het raam en had ook niets. Hen was net zijn auto aan het halen om naar België te gaan en hij kon gelijk bij terugkomst met het hele spul naar het ziekenhuis. De laatste scherven vlogen nog door de lucht en de Engelsen waren er al met de ziekenauto’s. Het huisraad werd maar zo een beetje door iedereen ingepakt en opgepakt om het ergens op te slaan waar je dat wilt. Er is toen ook nog veel gestolen. We zijn toen tien dagen bij Herman en Cis in huis geweest. Maar we zitten weer in een ander huis en al is het geen prachthuis, we kunnen ons redden. We zijn er gelukkig nog allemaal. Als we in het noorden gezeten hadden weten we niet hoe het dan was gegaan. Hen is nu bij het Militair Gezag als luitenant en gaat mee naar de Zaanstreek. Hij kan dan gelukkig ook zo gauw mogelijk een kijkje in Amsterdam nemen. We hebben heel wat pakjes klaar gemaakt voor het noorden. Het zal nu wel beter gaan met de voedselvoorziening bij jullie en dat is een hele opluchting. Maar ik ben toch wel erg benieuwd om zo gauw mogelijk iets te horen. Verder is hier alles best. De kinderen worden echte boeven en het wordt tijd dat er weer eens een school begint.

Zondag was hier iemand uit Haarlem die vertelde, dat de huizen in Driehuis leeggeplunderd zijn. Wastafels, wc’s en elk schroefje hebben ze er uit gehaald. Kastplanken en deuren zijn opgestookt.

We zijn er nog niet!”


Tot zover grotendeels het relaas van Bel. Het beschrijft hoe ze van de Oude Warande (toen Bredascheweg 439) naar Dongewijk (Bredascheweg 600) en dan naar de Burgemeester van Meursstraat 9, in het “witte villadorp” gaan wonen. Na de inslag van de V-1 verhuizen ze noodgedwongen naar Bredascheweg 307. Dat adres is uiteindelijk het laatste in Tilburg voordat ze weer naar Driehuis gaan.

Aan het bombardement met de verdwaalde V-1 heeft Ton een litteken op zijn voorhoofd overgehouden. Hij kan zich nog herinneren, dat het gehecht werd. Waarschijnlijk door de omstandigheden zonder verdoving, want hij herinnert zich dat hij heeft gegild als een mager varken.


Tilburg werd in oktober 1944 bevrijd, maar er vielen nog verdwaalde V-1’s op de stad. De Duitsers waren weliswaar de oorlog al aan het verliezen, maar ze waren desalniettemin nog met het  zogenaamde  Ardennenoffensief bezig, waarbij ze noodzakelijk de haven van Antwerpen aan de Scheldemond moesten heroveren. Tilburg lag precies in het schootsveld. V-1’s begaven het onderweg nog wel eens en daardoor zijn er tussen de bevrijding van Tilburg en het einde van de oorlog 29 V-1’s in de buurt van de stad terecht gekomen, waarvan twee in de bebouwde kom. Dat heeft veel doden en gewonden tot gevolg gehad. Bij het neerstorten van een V-1 op de Burg.van Meursstraat op 2 februari 1945 werd een vriendinnetje van Mia en Hennie gedood. Dat kleine meisje heette José en gaf haar naam aan ons zusje, dat na de oorlog in ’46 geboren werd.


Het zuiden van Nederland was bevrijd, maar het noorden bleef nog een winter bezet gebied. Het was voor Hen en vooral voor Bel, moeilijk om geen contact te kunnen hebben met de familie in Amsterdam. Zij heeft het vaak over die onzekerheid gehad. De verhalen over die, later als de hongerwinter betitelde periode in Amsterdam, sijpelden door naar het inmiddels bevrijde deel van het land.