door: Jan Lavrijsen

Toen ik de verschillende verhalen over de Oude  Warande las, was  het alsof ik, als oud bewoner van de Warande, zoon van boswachter Nelis en Cato Lavrijsen, in een reűnie van herinneringen en herkenning terecht was gekomen. Dit kwam mede door de verhalen van mensen wiens naam ik nog van vroeger  ken, voorvallen die zij vertelden, met name over mijn familie, waarvan ik soms zei: 'dat is waar' of 'wat leuk dat terug te lezen'. Sommige van die verhalen was ik vergeten, of kende ik niet en daarom des te interessanter.

Daarom had ik er behoefte aan daar op te reageren.

 

Zo schreef Ton van Schaik over zijn familie. Een verhaal dat mij voor een deel bekend voorkwam. Een leuke aanvulling was dat toen ons gezin, op bevel van de Duitsers, de boswachterswoning in de Oude Warande moest verlaten, de vader van Ton van Schaik er voor zorgde dat wij een onderkomen kregen op het landgoed Heidelust, aan de andere kant van de Bredaseweg.

 

De foto’s die Ton van Schaik had bijgevoegd deden bij mij de oude Oude Warande weer helemaal herleven. Twee foto’s sprongen er voor ons gezin uit; de foto van de oude schuur en die van de shetland pony, of zoals de Ton van Schaik het zo mooi verwoordde, de sletjander pony.

Zowel  over die schuur als over de pony hebben mijn broer en ik het heel vaak gehad, maar helaas er waren geen foto’s van. Nu kunnen wij aan een ieder laten zien hoe de schuur er heeft uitgezien.

In die schuur was de stal van de pony gevestigd en mijn vader hield er ook een varken.

Die pony was inderdaad een attractie. Zo ging hij een keer op zijn achterbenen staan en met een van zijn voorbenen trof hij de neus van mijn vader. Hij heeft hier een blijvend litteken, precies boven zijn neus, aan overgehouden. Mijn jongste broer Frits kon goed met de pony om gaan. Hij had hield hem goed in bedwang.

De  jongen in de overall op de foto was overigens geen zoon van de boswachter.

Mevrouw Bastiaansen – de Rooij heeft het over “mijn bos”, dat zeggen wij ook nog steeds: Onze Warande, Ons Huis. Mevrouw Bastiaansen, voor ons beter bekend als Annemarie de Rooij en haar ouders, Marcel en Wilhelmina, of zoals wij hen ook kenden Sjel en Wil de Rooij, zie ik nog zo voor me. Hele sympathieke, vriendelijke buren.

Een mooie anekdote is, dat mijn moeder, Cato Lavrijsen, een keer een heftige bloeding had en de vader van Annemarie adviseerde mijn vader, Nelis Lavrijsen, op de wond een gulden te leggen. En.... de bloeding stopte. Mijn vader heeft die gulden toen in het Dorstige Hert aan een goede borrel besteed, ten gunste van Marcel.

Annemarie vertelde dat zij, en dus ook wij, ver van school woonden en er  geen schoolbus reed. Ik herinner me echter dat die er vroeger wel reed, maar wij, de kinderen van de Oude Warande, mochten niet mee. Wij woonden te dicht bij de school. Terwijl de kinderen van Haenen daar wel recht op hadden. Hun laan lag 5  meter verder, richting Breda, maar wij woonden wel veel dieper het bos in.

Een andere herinnering die in dit verhaal werd beschreven, was het roestbruine water van de villa, terwijl het bij ons altijd glashelder en fris was. Zowel de villabewoners als wij betrokken het water uit een bron. Ik zie de villabewoners nog bij ons emmertjes water komen halen.

Wat heel leuk was om terug te lezen is het verhaal over mijn moeder die een ketel vol met aardappelen met schil voor de varkens kookte. Toen ik dat las dacht ik:  'ja, dat is waar' ook en wij mochten dan zo´n aardappeltje even proeven. Schil er af, vingers bijna branden en happen.

Ook de familie Joossens kan ik me nog goed voor de geest halen; Marja, Rosemarie, Annelie en hun vader en moeder.

Ook Noor Ruts - de Vries,  oftewel voor ons Noor de Vries, roept heel veel goede herinneringen op aan onze vroegere buren, de familie de Vries.

Ja, dat Antonius kappelletje. Een bevriende Kapucijner monnik, pater Eleutherius, legde daar regelmatig prentjes met een scapulier-medaille neer. Soms deed ik dat voor hem.

En dan het verhaal van Bernard Verbunt, dat heb ik met meer dan belangstelling gelezen en bij sommige voorvallen geglimlacht. Zo kwam bij de opmerking Bij d´n Miel krègde snevel even de vraag bij mij op: 'zou onze pa zijn borrel dan toch van Miel betrokken hebben?' Misschien een vriendendienst, omdat mijn ouders in de oorlog een varken voor de familie Verbunt vet gemest hebben. Het varken bleek overigens nooit bij de familie Verbunt op tafel te zijn gekomen. Het is, nadat het geslacht was en het vlees bij ons in de schuur te roken was gehangen, gestolen.

Een andere anekdote is dat mijn broer Kees op weg naar zijn werk 's ochtends altijd een ezel die in een wei bij de familie Verbunt stond, groette en deze balkte dan altijd terug.

Maar het mooiste vond ik toch de opmerking van mijn vader tegen Bernard over dat stelletje in het bos. Bernard verhaald: 'Wij konden naar hartenlust in de bossen hutten bouwen. Soms trof je wel eens een koppeltje, dat zich,' zoals Bernard dat zo mooi omschreef, 'overgaf aan een vleselijke conversatie.' Mijn vader, de boswachter, Nelis Lavrijsen, zou toen met een stalen gezicht gezegd hebben: 'de mensen met haasje over bezig waren.'  Dat klinkt toch veel subtieler en discreter dan: ze zijn  aan het bokspringen, met klap, kas en afzak. De opmerking van mijn vader werd onthouden en als ezelsbruggetje gebruikt, aldus Bernard. Een schitterend verhaal over mijn vader, die de kinderen van Emiel Verbunt toch maar mooi, met behulp van zo’n vleselijke conversatie, op een ezelsbruggetje wist te brengen.

Allemaal verhalen, hoe lang ook geleden, ze brengen die onvergetelijke  herinneringen weer tot leven.

Ons leven in de Oude Warande.